AANVULLING LEERSTOF EXAMEN BEPERKT STUURBREVET |
| 1) Getijsluis Een getijsluis (getijdesluis, tijsluis) is een sluis die alleen gedurende bepaalde getijstanden in gebruik is. Meestal is een dergelijke sluis alleen tussen een paar uur voor en na hoogwater bruikbaar. Op de scheepvaartkaart wordt een getijsluis aangegeven met onderstaand teken aangegeven. |
![]() |
| 2) groot gaat voor klein Eén uitzondering: snelle schepen moeten alle andere schepen voorrang geven. Snelle schepen zijn grote schepen die sneller kunnen varen dan 40 km/u, bijvoorbeeld luchtkussenvaartuigen, motorschepen met meer dan één romp en draagvleugelboten. Een snel schip is herkenbaar aan twee gele, snelle flikkerlichten boven elkaar. Snelle schepen zijn grote schepen (20 m of langer) die sneller kunnen dan 40 km/uur. Snelle boten zijn kleine schepen (korter dan 20 m) die sneller kunnen dan 20 km/uur. Zeilboot gaat voor roeiboot gaat voor motorboot zeilboten: boten die uitsluitend door zeil worden voortbewogen roeiboten: boten die uitsluitend door spierkracht worden voortbewogen motorboten: boten die mechanisch worden voortbewogen |
| 3) Verbod zich in de tussenruimruimtes tussen de lengtes van een sleep te begeven. Een schip mag zich niet in de tussenruimruimtes tussen de lengtes van een sleep te begeven. 4) Uitvaren en invaren van havens en nevenvaarwateren en het daarbij invaren of oversteken van een hoofdvaarwater. Uit- en invaren en oversteken mag alleen als dat zonder gevaar kan geschieden. Een klein schip moet daarbij voorrang verlenen aan een groot schip Een schip dat aan stuurboordzijde van het hoofdvaarwater rechtdoor vaart heeft altijd voorrang. Op een vaarweg waar stroom loopt, moet een voor stroom varend schip dat is genoodzaakt op te draaien om een haven of een nevenvaargeul in te varen, voorrang verlenen aan een tegen stroom varend schip dat eveneens deze haven of deze nevenvaargeul wil invaren. Voorbeeld Beide schepen willen de nevenvaargeul invaren. Gelijktijdig invaren kan niet. Het tegen de stroom invarende schip (Y) heeft dus voorrang op het voor stroom varende schip X. |
![]() |
| 5) Borden gaan voor regels Net als in het wegverkeer gaan borden vóór regels. Schip X toont de wit-blauwe vlag, wat betekent dat er duikers onder water zijn. Deze duikers bevinden zich tussen de wal en het schip. Schip Y moet dus route C volgen. |
![]() |
| 6) Reglement Gemeenschappelijke Maas Uitrusting Een varend klein schip, niet bestemd of gebezigd voor het vervoer van goederen, moet aan boord hebben : - een of meer pagaaien of roeispanen; - reddingsgordel, -kussen of –vest, minimaal één voor iedere persoon aan boord; - een of meer meertouwen van tenminste 10 m en minimaal één een touw van 30 meter; - een anker of een dreg; -een hoosvat of een handpomp; -een misthoorn of toeter; - een goedgekeurde poederblusser (alleen verplicht voor motorboten). Snelle motorboten Deze moeten tevens aan de volgende eisen voldoen: - de stuurinrichting moet deugdelijk en doelmatig zijn; - de inrichting van de boot en van de motor moet zodanig zijn dat gevaar voor brand of ontploffing en hinder voor de omgeving door rook, damp of walm wordt voorkomen; - de uitlaatgassen moeten door een behoorlijk geluiddempende inrichting worden afgevoerd; - de boot moet zijn voorzien van een technische inrichting (dodemansknop) waardoor bij het overboord slaan van bestuurder de middelen tot voortbeweging onmiddellijk tot stilstand komen. Hulp inroepen Een in nood verkerend schip dat hulp wil inroepen, moet een of meer van de volgende seinen, tonen dan wel geven: - een vlag of ieder ander geschikt voorwerp waarmee in het rond wordt gezwaaid; - een licht waarmee in het rond wordt gezwaaid; - vuurpijlen, lichtkogels, parachutelichten of rookbommen dan wel vlammen; - een vlag met daarboven of daaronder een bol of een daarop gelijkend voorwerp; - reeksen klokslagen of herhaalde lange stoten. - Medische hulp - Een schip dat medische hulp wil inroepen, mag het volgende sein geven: vier korte stoten, gevolgd door één lange stoot. |
| 7) Reglement Kanaal Brussel-Schelde Doorvaart bruggen Bij het naderen van beweegbare bruggen moet men vaart minderen en de aanwijzingen opvolgen. Men kan door middel van de volgende geluidsseinen doorvaart vragen: - 3 lange stoten voor de doorvaart van draaibruggen en van de hefbruggen waarvan het brugdek slechts tot op 9,10 m geheven moet worden; - 3 lange stoten gevolgd door 2 korte stoten als het brugdek op meer dan 9,10 m boven de waterspiegel geheven moet worden. Die geluidsseinen mogen in de bebouwde kommen niet herhaald worden. Men moet op minimaal 100 m van de beweegbare bruggen te stoppen als de brugwachter geen toestemming tot doorvaart heeft gegeven. In dit geval moet het schip zo afgemeerd worden de vaart van andere vaartuigen niet wordt gehinderd. Men moet volgens de richtlijnen van de brugwachter handelen en mag alleen met toestemming van de brugwachter de vaart voortzetten. |
| 8) Het Scheepvaartreglement Kanaal Gent – Terneuzen (SRKGT) Het SRKGT wijkt een beetje af van het APSB. Dat heeft te maken met de afstemming op de Nederlandse wet-en regelgeving. Afwijkende Regels Een schip mag alleen in het SRKGT gebied varen als het voorzien is van een motor die voor onmiddellijk gebruik gereed is en waarmee een snelheid van tenminste 6 kilometer per uur kan worden gehandhaafd Met een schip van 20 meter of langer mag niet worden gezeild. Een zeilschip van 20 meter of langer mag op de motor varend geen zeilen voeren. Voor schepen uitgerust een marifoon geldt een uitluisterplicht voor het verkrijgen van vroegtijdige waarschuwingen voor gevaar van aanvaring. De richting van het kanaal volgend moet men altijd stuurboordwal houden, zo dicht als veilig en uitvoerbaar is. Het voeren van een deugdelijke radarreflector is ook voor kleine schepen altijd verplicht. In het SRKGT gebied geldt de volgende voorrangsvolgorde: a. onmanoeuvreerbare schepen, b. bovenmaatse zeeschepen, c. beperkt manoeuvreerbare schepen, d. overige schepen. Het is verboden te ankeren zonder toestemming. Klein schip Een klein schip is in het SRKGT gedefinieerd als een schip met een lengte van minder dan 20 meter, uitgezonderd een sleepboot, een duwboot of een veerpont (passagiersschip en vissersschip worden niet genoemd). |